Groot nieuws uit Stuttgart: de verwarmingsketel houdt het autoconcern overeind. Bosch presenteerde halfjaarcijfers waarin de groei niet uit de auto-industrie komt, maar uit verwarming en koeling. De divisie die het Duitse concern groot maakte, Mobility, noteerde juist lagere verkoop en een lagere marge.
De omzet van de groep steeg volgens de halfjaarcijfers in de eerste zes maanden met 3,6 procent naar 46,4 miljard euro. Dat oogt gezond. Maar de operationele groepsmarge daalde in dezelfde periode van 5,1 naar 4,6 procent. En het was juist de tak met verwarming en koeling die dat omzetcijfer omhoog trok, terwijl de automobieldivisie volume en marge inleverde. De motor van het concern hapert, de bijrijders duwen de bus.
Dat is pijnlijk, want Bosch is geen doorsnee toeleverancier. Het is dé toeleverancier. Als Bosch het moeilijk heeft in de automarkt, dan voelt de hele industrie dat. De Duitsers bouwden hun imperium op brandstofinspuiting, remsystemen en een leger aan elektronica dat in vrijwel elke auto ter wereld zit. Precies dat imperium komt nu onder druk te staan.
De EV-rekening van Bosch valt duurder uit
Het opvallendste getal in de rapportage is er een die Bosch vast liever in kleine lettertjes had weggestopt. Het concern erkende 270 miljoen euro aan verliezen op apparatuur voor EV-productie, omdat de groei van de elektrische auto trager verloopt dan gepland. Vrij vertaald: er staan machines te verstoffen die gebouwd zijn voor een elektrische toekomst die even op zich laat wachten.
Daar zit een verhaal in dat verder reikt dan één boekhoudkundige correctie. Wie te vroeg en te groot investeert in productielijnen voor een markt die achterblijft, betaalt daar vroeg of laat het loodje voor. Bosch koos ervoor die investeringen nu te doen, met de verwachting dat de vraag later aantrekt. Op papier een gok met logica. In de cijfers voorlopig een aderlating.
Het vervelende is dat de dure inhoud pas rendeert bij voldoende volume. Levert een fabrikant minder elektrische auto's dan gepland, dan verdient de toeleverancier zijn peperdure apparatuur simpelweg niet terug. Bosch positioneerde zich als partij die niet de auto's bouwt, maar wel de kostbare techniek erin levert. Die rol beschermt niet tegen tegenvallende aantallen, zo blijkt.
Een marge van 4,6 procent is een signaal
Eerlijk is eerlijk: een operationele marge van 4,6 procent is geen crisiscijfer. Menig autofabrikant zou er op dit moment voor tekenen. Maar de richting van de lijn vertelt het echte verhaal. Een halfjaar waarin de marge zakt, betekent dat de kosten harder groeien dan de opbrengsten, en dat de winstgevende onderdelen de zwakke moeten compenseren.
Precies daar wringt het. De automobieldivisie, ooit de vanzelfsprekende geldmachine, levert nu in op twee fronten tegelijk: minder verkoopvolume én een dunnere marge. Dat de rest van het concern het gat dicht, maakt de afhankelijkheid van niet-automotive activiteiten alleen maar zichtbaarder. Een toeleverancier die het van cv-ketels moet hebben, is niet de toeleverancier die Bosch wil zijn.
De redenering aan de top zal zijn dat dit een overgangsfase is. Wie nu door de pijn heen investeert, plukt straks de vruchten. Alleen klinkt dat argument inmiddels bij vrijwel elke Europese toeleverancier hetzelfde, en de vraag is hoe lang de geduldige partners achter een stichting als Bosch met dalende marges blijven leven.
Wat het betekent voor de gewone rijder
De halfjaarcijfers zijn daarmee een graadmeter voor iets groters dan één concern. De elektrische transitie in Europa loopt hobbeliger dan de industrie een paar jaar terug durfde te denken. Toeleveranciers zitten klem tussen fabrikanten die lagere kosten eisen en een markt die trager groeit dan de spreadsheets beloofden.
Voor de gewone automobilist verandert er op korte termijn weinig, op langere termijn des te meer. Als een gigant als Bosch moet bezuinigen op ontwikkeling en capaciteit, vertaalt zich dat uiteindelijk naar duurdere auto's en minder keuze. De rekening van de transitie komt altijd ergens terecht. Meestal bij jou.
Overleven zal Bosch, dat is met 46,4 miljard euro halfjaaromzet niet de vraag. De vraag is in welke vorm. Een concern dat groeit dankzij verwarming en koeling terwijl de kernactiviteit krimpt, moet zich afvragen of de koers klopt of de timing gewoon ongelukkig was. Beide antwoorden voelen ongemakkelijk.