Geen supercars, geen CGI, geen versnelde beelden. John Frankenheimer wilde in 1998 een achtervolging maken die andere regisseurs zou ontmoedigen het ooit nog te proberen. Ruim 25 jaar later is het hem nog altijd niet afgenomen.
Sommige achtervolgingen draaien om spektakel: hoe duurder de auto, hoe groter de explosie. En dan is er Ronin, waarin twee doodgewone Europese sedans, een
Peugeot 406 en een
BMW 5-serie, dwars door Parijs jagen op een manier die tot op de dag van vandaag niet is overtroffen. Juist het alledaagse van die auto's maakt het geniaal.
Achter de camera stond John Frankenheimer, een regisseur die als geen ander wist wat een auto is. In zijn studententijd kreeg hij de bijnaam "Highway Menace", hij bezat een op maat gebouwde Mercedes 600 en had eerder al de racefilm Grand Prix (1966) gemaakt. Zijn opdracht aan zichzelf voor Ronin was ondubbelzinnig: een achtervolging zo goed dat een ander zich wel twee keer bedenkt voordat hij het probeert te evenaren. En, cruciaal: geen enkele computertruc. Alles moest echt, en live gefilmd worden.
Twee achtervolgingen, geen overbodige
Wat Ronin uniek maakt, is dat er niet één maar twee grote achtervolgingen in zitten, en dat ze allebei nodig zijn voor het verhaal over een groep huurlingen die achter een mysterieuze koffer aan zit.
De eerste speelt zich af rond Nice en de Côte d'Azur. Een Audi S8 gaat het gevecht aan met een
Citroën XM en een reeks Peugeots, over natte kasseien en smalle straatjes van de oude stad. En let op één auto in het gezelschap van de goeden: een majestueuze Mercedes-Benz 450 SEL 6.9, precies hetzelfde model waarmee Claude Lelouch in 1976 zijn legendarische C'était un Rendez-vous door Parijs reed. Een knipoog die geen toeval kan zijn.
Frankenheimer koos bewust voor herkenbare, aardse auto's. Een driftende Peugeot 406 zie je nergens anders in een achtervolgingsfilm, en juist dat maakt het geloofwaardig.
De achtervolging in Parijs: acht minuten pure spanning
Het middelpunt van de film is de achtervolging door Parijs: ruwweg acht minuten waarin een BMW 5-serie en een Peugeot 406 elkaar te lijf gaan, door tunnels, over snelwegen en uiteindelijk tegen het verkeer in. Volgens Frankenheimers eigen DVD-commentary ging het om een 535i; de mythe wil dat het een E34 M5 was, en die discussie woedt onder liefhebbers nog altijd voort. Zeker is dat er vier BMW's en vijf Peugeots klaarstonden, voor het geval er eentje sneuvelde. In totaal werden er tijdens de opnames zo'n tachtig auto's gesloopt.
De realiteitszin komt uit de details. Om te laten zien dat De Niro en Natascha McElhone "zelf" reden, werden rechtsgestuurde auto's gebruikt met een nep-stuur aan de linkerkant; de acteurs deden de bewegingen van de echte stuntcoureurs na. Voor de rijdende opnames werden auto's doormidden gezaagd en op een Mercedes E500-rig gemonteerd. En de camera-auto's? Meerdere Porsche 911's, met de motorkap eraf en de camera in de frunk, om die vloeiende tracking-shots door het verkeer te halen.
Echte coureurs, geen versnelde film
Frankenheimer haalde er geen stuntacteurs bij maar echte racecoureurs. Onder hen oud-Formule 1-rijder Jean-Pierre Jarier, en Le Mans-mannen Jean-Claude Lagniez en Michel Neugarten, die respectievelijk de Peugeot en de BMW bestuurden. Lagniez coördineerde de hele operatie, nadat Frankenheimer de oorspronkelijke stuntploeg tijdens de opnames had ontslagen.
De perfectionist in hem ging verder dan de meeste regisseurs durfden. Waar het gebruikelijk was om op een lagere framerate te filmen en de beelden achteraf te versnellen, stond Frankenheimer erop dat de meeste achtervolgingen op 24 beelden per seconde werden opgenomen: wat je ziet is de echte snelheid, tot zo'n 160 à 190 km/u in het verkeer. Ook de motorgeluiden werden apart op een circuit opgenomen om authentiek te klinken. En als je goed kijkt: de doodsangst op De Niro's gezicht is deels echt, een reactie op Lagniez die de auto door schijnbaar onmogelijke gaten stuurde.
Voor de scènes waarin de BMW tegen de rijrichting in de tunnels en straten in raast, werden meer dan 300 stuntrijders ingezet, van wie er zo'n honderd volgens een strak plan moesten manoeuvreren. Dat de politiechef van Parijs de ploeg vrijwel vrij spel gaf, hielp: geen afgezette straten voor de show, maar echt verkeer en echte risico's.
De erfenis
De invloed van Ronin reikt ver. De achtervolgingen worden standaard in één adem genoemd met die uit Bullitt en The French Connection, precies de films die Frankenheimer zelf als lat had genomen. Critici zien de sporen ervan terug in Mission: Impossible – Fallout. En de film inspireerde zelfs een heel racespel-genre: de maker van Burnout noemde het vijftiende hoofdstuk van de DVD, "Crashing the Case", als directe aanleiding.
In een tijd waarin achtervolgingen steeds vaker in een computer ontstaan, is Ronin een monument voor het tegenovergestelde: echte auto's, echte coureurs, echte snelheid. Twee onopvallende sedans, een handvol van de beste rijders ter wereld, en een regisseur die zijn hele leven leek te hebben voorbereid op precies deze film.
Het is, kortom, verwant aan de geest van C'était un Rendez-vous: de overtuiging dat niets de sensatie van echte snelheid kan vervangen. Alleen deed Frankenheimer het met een script, een cast en tachtig opgeofferde auto's, en toch voelt het even rauw.