Bijna zestig jaar lang was er in het Limburgse Born iets bijzonders: een echte, grote autofabriek op Nederlandse bodem. Meer dan vijf miljoen auto's rolden er van de band, onder de vlaggen van DAF, Volvo, Mitsubishi en BMW. Het verhaal van NedCar is er een van trots, strijd en overleven, en het eindigt, voorlopig, in mineur. Dit is de complete geschiedenis. Nederland en auto's bouwen: het lijkt geen vanzelfsprekende combinatie. En toch had ons land decennialang een volwaardige, wereldwijd gerespecteerde autofabriek, verstopt in het uiterste zuiden, in het Limburgse Born. De geschiedenis van die fabriek, die de meeste van haar leven NedCar heette, is een fascinerend verhaal dat begint op een volstrekt onverwachte plek: bij de sluiting van de kolenmijnen.
Geboren uit een mijnramp van een andere soort
Om te begrijpen waarom er uitgerekend in Born een autofabriek verrees, moeten we terug naar 1965. In dat jaar kondigde de minister van Economische Zaken, Joop den Uyl, in de stadsschouwburg van Heerlen de sluiting van de Limburgse steenkoolmijnen aan. Het was een economische ramp voor de regio: duizenden mijnwerkers zouden hun baan verliezen, en een compleet gebied dreigde in verval te raken.
De regering beloofde dat verlies te compenseren met nieuwe industrie. En zo ontstond het plan voor een grote fabriek in Zuid-Limburg. DAF, de Nederlandse autobouwer uit Eindhoven, had meer ruimte nodig omdat zijn fabriek in Eindhoven te klein werd. De keuze voor Limburg was dus geen toeval, maar een bewuste politieke daad: de auto-industrie moest de banen brengen die de mijnen hadden weggenomen. In 1967 begon de bouw, en in 1968 opende Koningin Juliana officieel de DAF-fabriek in Born.
De autofabriek in Born was geen toeval, maar een antwoord op de mijnsluiting. Waar de kolen verdwenen, moesten de auto's de werkgelegenheid terugbrengen aan Limburg.
Het DAF-tijdperk
In de eerste jaren rolden er in Born auto's van het Nederlandse merk DAF van de band, te beginnen met de kleine DAF 33 en 44, later gevolgd door de 55 en 66. Het waren de eigenzinnige, compacte autootjes waarmee DAF zich had onderscheiden, beroemd (en berucht) om hun Variomatic: de traploze, riemaangedreven transmissie die uniek was in de autowereld.
Het was de bloeitijd van de Nederlandse personenauto. In Born werd niet zomaar geassembleerd; hier werd een volwaardig Nederlands automerk gebouwd, van eigen bodem en met eigen techniek. Maar die trots zou van korte duur zijn, want DAF was, naar de maatstaven van de auto-industrie, simpelweg te klein om alleen te overleven.
Volvo neemt over
De kwetsbaarheid van DAF werd pijnlijk duidelijk toen de oliecrisis van 1973 toesloeg. Op zoek naar een sterkere partner vond DAF het Zweedse Volvo, dat geleidelijk instapte en in 1975 een meerderheidsbelang in de personenautotak nam. De fabrieksnaam veranderde van DAF Car BV in Volvo Car BV, en datzelfde jaar rolde in Born de eerste Volvo van de band.
Het waren aanvankelijk auto's met een dubbele ziel: modellen als de Volvo 66 (in wezen een DAF 66 met Volvo-veiligheidsaanpassingen) en later de succesvolle Volvo 300-serie, die technisch nog volledig op DAF-ontwerp berustte. Zo leefde het Nederlandse ingenieurschap voort onder Zweedse vlag. De fabriek kreeg een steviger basis, en Born bleef decennialang auto's produceren, nu als een gerespecteerde schakel in het Volvo-imperium.
De geboorte van NedCar
Begin jaren negentig volgde een nieuwe, ingrijpende wending. In 1991 sloten Volvo en het Japanse Mitsubishi een joint venture, waarbij ook de Nederlandse staat aanschoof. De drie partijen (Volvo, Mitsubishi en de staat) namen elk een derde van de aandelen. Op 1 december 1991 kreeg het bedrijf een nieuwe, toepasselijke naam: NedCar.
Het was een ambitieuze constructie. De fabriek werd tussen 1992 en 1994 compleet heringericht, zodat er tegelijkertijd Volvo's én Mitsubishi's van dezelfde lijnen konden rollen, een technisch huzarenstukje. Op het hoogtepunt werkten er zo'n 9000 mensen, wat NedCar tot een van de grootste werkgevers van de regio maakte. De fabriek die ooit de mijnbanen moest vervangen, was zelf uitgegroeid tot een industriële reus.
Op zijn hoogtepunt werkten er 9000 mensen bij NedCar, en rolden er Volvo's en Mitsubishi's tegelijk van dezelfde band. De fabriek was een industriële trots van Nederland geworden.
De topjaren
De tweede helft van de jaren negentig vormde de bloeitijd van NedCar. In 1998 rolde de drie miljoenste auto van de band, en in 1999 werd een absoluut productierecord gevestigd: maar liefst 262.196 auto's in één jaar. Modellen als de Mitsubishi Carisma en de Volvo S40/V40, die het platform deelden, werden hier met honderdduizenden tegelijk gebouwd voor de hele wereld.
NedCar toonde zich in die jaren ook vernieuwend als organisatie. Zo sloten het bedrijf en de vakbonden een flex-convenant: bij een tijdelijke dip in de vraag draaiden de medewerkers minder uren, die later bij aantrekkende markt werden gecompenseerd. Zo kon de fabriek flexibel meebewegen met de grillen van de automarkt, een aanpak die zijn tijd vooruit was.
Van eigenaar naar eigenaar
Maar de auto-industrie is een wereld van voortdurende verschuivingen, en NedCar zou dat aan den lijve ondervinden. In 1999 trok de Nederlandse staat zich terug als aandeelhouder, waarna Volvo en Mitsubishi ieder de helft bezaten. Datzelfde jaar werd bekend dat Ford de personenautodivisie van Volvo wilde overnemen. In april 2001 werd Mitsubishi vervolgens volledige eigenaar van de fabriek.
Onder Mitsubishi bleef Born produceren, met zowel Volvo's als Mitsubishi's, en later ook opvallende modellen voor derden. Vanaf 2004 bouwde de fabriek bijvoorbeeld de kleine Smart ForFour voor DaimlerChrysler, een van de vele voorbeelden van hoe Born zich ontwikkelde tot een veelzijdige contractfabrikant, een fabriek die auto's bouwde in opdracht van anderen, net als het Oostenrijkse Magna Steyr.
Het middernachtelijke sms'je
In 2012 dreigde het doek te vallen. Mitsubishi kondigde aan zich terug te trekken uit Born, wat massaontslag betekende voor duizenden werknemers. Het leek het einde van de autoproductie in Nederland. Maar toen gebeurde er iets bijzonders, iets wat de geschiedenis van NedCar tekent.
Wim van der Leegte, topman van het Brabantse industriële concern VDL (tot dan toe vooral bekend als busbouwer), kon de slaap niet vatten na het nieuws over Mitsubishi. In de nacht van 6 op 7 februari 2012, om precies 2:17 uur, stuurde hij de president van NedCar een sms'je met een aanbod om te helpen. VDL kwam naar Born. Het is een detail dat perfect past bij het karakter van deze fabriek: gered, op het nippertje, door een ondernemer die er 's nachts wakker van lag.
Aan de redding ging een heroïsch gevecht vooraf. Er werden in Born talloze stakingen en grote demonstraties gehouden; medewerkers, directie, politici en vakbondsbestuurders vochten samen voor het behoud van de banen. Er was zelfs een protestmars van het NedCar-personeel naar het Binnenhof in Den Haag. De strijdbaarheid van de Limburgse autobouwers werd legendarisch.
Het Mini-tijdperk
Onder VDL kreeg de fabriek in 2013 haar definitieve naam: VDL Nedcar. De fabriek werd opnieuw volledig omgebouwd, en in 2014 begon de productie van een gloednieuw model: de
Mini, in opdracht van BMW. Voor het eerst sinds jaren leek de toekomst weer zonnig. In de jaren die volgden rolden er honderdduizenden Mini's van de band, in verschillende uitvoeringen, samen met later ook de BMW X1.
VDL Nedcar groeide uit tot de grootste autofabriek van het land, met een productiecapaciteit van zo'n 240.000 auto's per jaar en bijna 5000 werknemers. De fabriek werd zelfs uitgeroepen tot de beste autofabriek van Europa, een ongelooflijke prestatie voor een bedrijf dat een paar jaar eerder nog aan de rand van de afgrond had gestaan. Over de hele geschiedenis heen bouwde Born meer dan vijf miljoen auto's, verdeeld over 23 verschillende modellen.
Meer dan vijf miljoen auto's, 23 modellen, vier grote merken en bijna zestig jaar geschiedenis. En vlak voor het einde werd Born nog uitgeroepen tot de beste autofabriek van Europa.
Het einde van een tijdperk
En toch kwam het einde. BMW besloot het contract met VDL Nedcar niet te verlengen; de productie van de Mini zou verhuizen. Zonder een grote opdrachtgever kon de fabriek niet voortbestaan, en in maart 2024 rolde de laatste auto van de band. Na bijna zestig jaar viel het doek voor Nederlands enige grote autofabriek.
Het was een pijnlijk, bijna onwerkelijk einde voor een fabriek die zo vaak had bewezen te kunnen overleven. De reus die geboren was uit de mijnsluiting, die DAF, Volvo, Mitsubishi en BMW had gediend, die het middernachtelijke sms'je had overleefd en tot beste van Europa was uitgeroepen, moest uiteindelijk toch capituleren voor de onverbiddelijke logica van de wereldwijde auto-industrie: zonder een groot merk dat zijn auto's daar wil laten bouwen, heeft zelfs de beste fabriek geen bestaansrecht.
Wat blijft
Vandaag hebben de enorme fabriekshallen in Born een nieuwe bestemming gekregen. Er worden nu drones en onbemande rupsvoertuigen gebouwd, een heel ander soort industrie dan de auto's die er decennialang van de band liepen. De transformatie gaat door, zoals hij dat in Born altijd heeft gedaan.
Maar de erfenis van NedCar laat zich niet zomaar wegpoetsen. Bijna zestig jaar lang bewees deze fabriek dat Nederland wel degelijk auto's kon bouwen, en niet zomaar auto's, maar miljoenen ervan, van wereldklasse. De geschiedenis van Born is er een van veerkracht: van een regio die na de mijnsluiting weer opkrabbelde, van werknemers die keer op keer voor hun fabriek vochten, en van een bedrijf dat zichzelf telkens opnieuw uitvond onder een nieuwe vlag.
Het is verleidelijk om het einde in 2024 als een nederlaag te zien. Maar misschien is dat niet de juiste blik. Want wat Born naliet, is een indrukwekkend hoofdstuk industriële geschiedenis: vijf miljoen auto's, generaties Limburgse vakmensen, en het bewijs dat een klein land met de juiste vasthoudendheid decennialang kan meedraaien in een van de meest meedogenloze industrieën ter wereld. De banden staan stil in Born, maar het verhaal dat er geschreven is, verdient het om verteld te blijven worden. Als eerbetoon aan iedereen die er werkte.