Terwijl de rest van de auto-industrie de handbak begraaft alsof het een pijnlijke jeugdfoto is, staat Bugatti klaar met een schep om hem weer op te graven. Bugatti-CEO Mate Rimac zegt dat het merk voor honderd procent geïnteresseerd is in een supercar met handgeschakelde bak. En niet zomaar een handbak achter een braaf vierpitsje, maar gekoppeld aan de V16 die het merk als kroonjuweel ziet. Een handmatige V16, in een tijd waarin bijna elke hyperauto een dubbele koppeling of een elektromotor heeft. Precies dat maakt het zo bizar.
Wat maakt dit zo opvallend? Rimac spreekt zich er publiekelijk over uit, en dat is geen loze borrelpraat van een monteur op een beurs. Dit is de topman van Bugatti die hardop droomt over iets wat de hele industrie de afgelopen tien jaar systematisch heeft afgeschaft. Hij oppert zelf het beeld van een V16 met een echte pook. Voor de liefhebber klinkt dat als muziek. Voor de rekenmeesters klinkt het als een hoofdpijndossier.
Concrete cijfers over vermogen, prijs of introductiedatum zijn er nog niet. Rimac praat hier nadrukkelijk over interesse en enthousiasme, niet over een productieplan met een datum erachter. Er is geen prototype getoond, geen bestelboek geopend. Wat er ligt, is een intentie en een uitgesproken voorkeur van de baas. Dat is minder dan een belofte, maar meer dan een losse flodder.
Waarom de handbak overal verdween
Even de context, want die maakt het verhaal pas echt sappig. De handbak verdween uit topsegment-auto's omdat een moderne dubbelekoppelingsbak simpelweg sneller schakelt dan welke menselijke voet dan ook. Bij vermogens boven de duizend pk wordt handmatig schakelen bovendien een technische nachtmerrie: de koppeling moet dat geweld overleven, en de acceleratietijden lijden eronder. Ferrari, Lamborghini en McLaren gooiden de pook er daarom stelselmatig uit.
Precies daarom is Rimac's opmerking zo interessant. Hij zet Bugatti bewust tegen de stroom in. Niet omdat een handbak sneller is, want dat is hij aantoonbaar niet, maar omdat hij iets biedt wat cijfers niet vangen: betrokkenheid. Je voelt de auto. Je maakt fouten. Je bent geen passagier van je eigen software. In een wereld vol perfecte, kille elektronica is dat opeens een verkoopargument.
En laten we eerlijk zijn: Bugatti verkoopt geen vervoer, Bugatti verkoopt fantasie. Wie een paar miljoen neertelt voor een hyperauto koopt geen efficiënte transportoplossing. Die koopt een verhaal, een gevoel, een reden om 's ochtends de garage in te lopen en gewoon even te kijken. Een handgeschakelde V16 is precies zo'n verhaal. Het is nostalgie met zestien cilinders eronder.
Wat Rimac met de V16 echt doet
De grote vraag is natuurlijk: meent hij het, of test hij het water? Rimac is te slim om zomaar wat te roepen. Door dit hardop te zeggen, peilt hij de reactie van de rijke klantenkring zonder ook maar één euro aan ontwikkeling uit te geven. Als de liefhebbers juichen, heeft hij zijn gelijk. Als het stil blijft, was het gewoon een leuke gedachte op een goede dag.
Slim is het sowieso. De concurrentie racet richting elektrisch en richting steeds abstractere prestatiecijfers. Bugatti kan zich onderscheiden door juist het analoge, het tastbare, het ouderwetse mechanische plezier te omarmen. Een niche binnen een niche, maar wel eentje met een enorme emotionele lading. En emotie is bij dit prijskaartje het enige wat telt.
Blijft de nuchtere kanttekening staan. Tussen een enthousiaste CEO en een productieauto ligt een woestijn aan engineering, homologatie en kosten. Een handbak die duizend pk of meer moet verwerken, bestaat niet zomaar in de schappen. Die moet je ontwikkelen, testen en waarschijnlijk half opnieuw uitvinden. Voor een oplage van een handjevol auto's is dat een kostbare grap.
Toch juich ik stiekem mee. Niet omdat het logisch is, maar juist omdat het dat niet is. In een industrie die alles ondergeschikt maakt aan de stopwatch en de accucapaciteit, is een merk dat durft te zeggen laten we het gewoon leuker maken verfrissend. Of het er komt, weet niemand. Dat Rimac het hardop durft te zeggen, is op zich al winst.
Voorlopig is het een idee, een uitgesproken wens en een flinke dosis lef. Voor de echte liefhebber is dat precies genoeg om te blijven dromen. En dromen verkoopt Bugatti nu eenmaal beter dan wie ook.