Een goudroof in Turijn, drie rood-wit-blauwe Mini Coopers en stunts die tot op de kilometer per uur waren uitgerekend. Het verhaal achter de meest Britse autofilm ooit is bijna net zo waanzinnig als de film zelf. Weinig films hebben één automodel zo onlosmakelijk aan zich verbonden als The Italian Job uit 1969. De klassieke Mini Cooper S was al populair, maar dankzij Peter Collinsons goudroof-komedie werd hij voorgoed een cultureel icoon: drie exemplaren in rood, wit en blauw, dwars door Turijn, over trappen, door winkelpassages, een riool in en over de daken van de
Fiat-fabriek. Het is de zeldzame achtervolging die niet om spanning draait, maar om pure brutaliteit en Britse humor.
Het verhaal is simpel: Cockney-crimineel Charlie Croker (Michael Caine) komt vrij uit de gevangenis en beraamt een plan om vier miljoen dollar aan goud te stelen dat door Turijn wordt vervoerd. De truc: het computergestuurde verkeerssysteem van de stad saboteren, een gigantische file veroorzaken, en met wendbare Mini's dwars door de chaos ontsnappen waar de politie vastzit.
Waarom juist de Mini
Fiat-baas Gianni Agnelli bood aan de hele productie te sponsoren met Italiaanse auto's, inclusief Fiat 500's in plaats van de Mini's. Maar regisseur Collinson hield voet bij stuk: dit was een door en door Britse film, dus moesten het Britse Mini's zijn. Producent Michael Deeley verwoordde het simpel, het was de auto die elke jongere wilde hebben, en de film moest juist dat publiek aanspreken.
British Leyland was opvallend weinig behulpzaam. De fabrikant weigerde auto's te doneren en leverde uiteindelijk zes Mini's tegen inkoopprijs. De rest, nog eens zo'n 25 tweedehands exemplaren, werd via een tussenpersoon in Zwitserland gekocht en snel omgespoten. Detail voor de liefhebber: het waren Mk1-modellen uit 1967, voorzien van 1969-kentekens om nieuwer te lijken dan ze waren.
Fiat sponsorde uiteindelijk alsnog: het bedrijf stelde tientallen auto's én het fabrieksterrein beschikbaar. De iconische dakscène speelt zich af op de testbaan boven de legendarische Lingotto-fabriek.
Rémy Julienne: de wetenschapper achter het stuur
De stunts waren het werk van Rémy Julienne, de Franse stuntlegende die later ook furore zou maken met James Bond-films. Stuntrijder David Salamone, die de rode Mini bestuurde, vertelde jaren later hoe anders Julienne werkte dan de doorsnee Britse stuntman. Waar de gemiddelde stuntman simpelweg vroeg "hoeveel betaal je", benaderde Julienne alles als een wetenschapper: elke beweging tot op één mijl per uur uitgerekend, eerst getest, dan bijgesteld.
Zijn beroemdste stunt, de sprong tussen twee daken van de Fiat-fabriek, stond niet eens in het originele script. Julienne was ervan overtuigd dat hij alle drie de Mini's tegelijk het gat van zo'n 18 meter kon laten overbruggen, op 21 meter hoogte. De crew plaatste een vrachtwagen vol piepschuim in de kloof als vangnet; sommige figuranten waren oprecht bang voor het leven van de rijders, en één plaatselijke cameraman vluchtte van de set.
De maffia zette de straten af
Het misschien wel mooiste detail: de Italiaanse autoriteiten weigerden straten af te zetten voor de opnames. Volgens overlevering sprong de plaatselijke maffia bij en legde hele delen van Turijn plat, zodat er gefilmd kon worden. De echte verkeersopstoppingen in de film zouden daadwerkelijk echt zijn, inclusief de reacties van verbouwereerde Italianen.
En Michael Caine? Die kon op dat moment niet eens autorijden. In vrijwel de hele achtervolging zit hij dan ook op de passagiersstoel, terwijl hij vanaf de achterbank commentaar levert. De rioolscène, ten slotte, werd niet in Turijn gedraaid maar in een gloednieuw riool in Coventry, waar Julienne tot zijn frustratie ontdekte dat de tunnel net te smal was om zijn geplande volledige draai te maken.
De erfenis
In de VS flopte de film aanvankelijk, Caine stapte naar eigen zeggen meteen weer op het vliegtuig naar huis toen hij de Amerikaanse marketingcampagne zag, compleet met een naakte vrouw en een machinegeweer die nergens in de film voorkwamen. Maar in het Verenigd Koninkrijk groeide The Italian Job uit tot een instituut, met quotes ("You were only supposed to blow the bloody doors off!") en de meezing-soundtrack van Quincy Jones die tot op de dag van vandaag blijven hangen.
De film inspireerde een jaarlijks liefdadigheidsevenement, een remake uit 2003 met Mark Wahlberg (en de moderne Mini) in Los Angeles, en talloze eerbetonen. Maar het origineel blijft onovertroffen, niet vanwege de snelheid of het realisme, maar vanwege de pure lef en de personality van een achtervolging die net zo goed een komedie is.
Waar Ronin later zou draaien om kille precisie, is The Italian Job het tegenovergestelde: een achtervolging met een knipoog, gebouwd rond drie kleine auto's die groter werden dan de film zelf.