De Europese auto-industrie staat onder druk, en wie had dat gedacht: Parijs en Berlijn zijn het opeens roerend met elkaar eens.
Volgens verschillende media hebben Frankrijk en Duitsland een akkoord gesloten om de Europese auto-industrie te ondersteunen. En het is er niet eentje van mooie woorden, maar van harde maatregelen.
De kern is simpel. Europa wil zijn eigen auto-industrie beschermen, met drie middelen tegelijk: minder strenge uitstootregels, meer steun voor Europese productie en een afspraak die op papier klein lijkt maar in de praktijk flink wat teweegbrengt. Want auto's die in het Verenigd Koninkrijk worden gebouwd, gelden voortaan ook als 'made in Europe'. Het land dat uit de Europese Unie stapte, mag nu gewoon meetellen als Europese fabrikant.
Europese auto moet écht Europees zijn
Dat VK-verhaal is het soort compromis waar je als buitenstaander even bij moet slikken. Brexit was hét symbool van een Europa uit elkaar, en nu worden Britse fabrieken in de Europese club meegenomen omdat dat handig uitkomt. Politiek is uiteindelijk ook gewoon autopolitiek. Voor fabrikanten met grote Britse vestigingen is dit uitstekend nieuws.
De tweede pijler is waar het echt interessant wordt. Volgens Auto Motor und Sport zouden staatssteun, openbare opdrachten en bepaalde subsidies voortaan alleen beschikbaar zijn voor auto's die aan strenge Europese productiecriteria voldoen. En met streng bedoelen ze streng: de eindassemblage moet in Europa plaatsvinden, en minstens 70 procent van de waardecreatie bij de onderdelen moet Europees zijn.
Zeven op de tien delen qua waarde moeten dus uit Europa komen. Dat is geen administratief detail, dat is een strategische hamer. Fabrikanten die nu goedkoop onderdelen uit Azië halen om hun auto's hier in elkaar te schroeven, worden dan keihard afgestraft op subsidie en overheidsopdrachten. Een auto in Europa assembleren is niet langer genoeg. Europa wil dat de waardeketen hier blijft, en wie dat niet wil, betaalt de rekening zelf.
Batterijen krijgen een pijnlijke vrijstelling
Er is één opvallende uitzondering in het lijstje: batterijen tellen niet mee voor die 70 procent. En dat is geen toeval. De Europese batterij-industrie bestaat nog grotendeels uit ambitie en subsidieplannen, terwijl de meeste cellen uit China, Zuid-Korea of Japan komen. Hadden ze batterijen wél meegeteld, dan had vrijwel geen enkele elektrische auto aan de eisen voldaan. Dus kregen batterijen een vrijstelling. Pragmatisch, maar ook een beetje pijnlijk voor een continent dat al jaren zegt zelf batterijen te willen maken.
Waarom nu dit alles? Officieel gaat het om het versterken van de eigen industrie, maar je hoeft geen strateeg te zijn om de achtergrond te raden: Chinese fabrikanten drukken met goedkope elektrische auto's op de Europese markt. Dat is onze duiding, geen onderdeel van het akkoord, maar in dat klimaat is het niet verrassend dat Parijs en Berlijn de handen ineenslaan, zelfs al zijn ze het normaal over van alles oneens.
Het versoepelen van de uitstootregels is de derde poot. Europa wilde de strengste regels ter wereld hebben, en dat lukte aardig. Maar de industrie heeft er in Brussel klaarblijkelijk op gewezen dat de overgang naar elektrisch tijd en geld kost. Minder strenge regels betekent dat fabrikanten langer de tijd krijgen om hun vloot aan te passen. Wie wint hier? De fabrikanten. Wie verliest? Vooral de belofte dat Europa harder zou gaan dan de rest van de wereld.
En dan nog even terug naar dat Verenigd Koninkrijk. Dat Britse auto's als Europees meetellen, is geen liefdadigheid. Er staan in het VK nog steeds fabrieken die onderdelen leveren aan Europese merken, en andersom. Die uitsluiten vanwege een referendum uit het verleden zou bizar zijn. Pragmatisme wint het dus ook hier van principes.
De vraag die nu op tafel ligt: gaat Brussel mee in dit Duits-Franse compromis? Want dit is nog geen Europees beleid, dit is een akkoord tussen de twee grootste spelers. Maar als Parijs en Berlijn het eens zijn, gebeurt er in Brussel meestal ook wat. De komende maanden zullen uitwijzen hoe ver de Europese Commissie wil gaan, en vooral: wie er aan het eind van de rit echt beter van wordt.