Als de baas van een Amerikaanse autogigant zelf zegt dat Europa verloren is, mag je aannemen dat het niet aan pessimisme ligt.
Ford-topman Jim Farley heeft Europa afgeschreven als het om Chinese merken gaat. Volgens Farley hebben de Chinese fabrikanten in augustus al 12 procent van de Europese automarkt in handen. Zijn conclusie: dat gevecht is gestreden. En dus kiest Ford voor een dubbelstrategie, samenwerken waar het loont en concurreren waar het moet.
Dat klinkt strijdvaardig, maar het is vooral een erkenning dat de oude aanpak niet meer werkt. Farley waarschuwt tegelijk dat de Verenigde Staten juist extreem voorzichtig moeten zijn met het toelaten van Chinese merken. Europa mag dan gevallen zijn, thuis wil hij de poort dichthouden. Of in elk geval op een kier.
Wat opvalt is de openhartigheid. Autobazen roepen doorgaans dat ze klaar zijn voor elke concurrent. Farley zegt in feite: ze zijn ons voorbij, en dat gaan we op dit continent niet meer inhalen. Geen persbericht dus, maar een openlijke capitulatie met een plan eraan vast.
Chinese merken dwingen Ford naar Spanje
De concrete zet: Ford en Geely gaan samen auto's bouwen in Spanje. De twee kondigden een samenwerking aan rond elektrische auto's voor de Europese markt, dus ontwikkeling en productie onder één dak. Farley noemt dit precies de logica achter zijn plan. Werk samen waar dat technologisch of financieel iets oplevert, en ga elders de directe confrontatie aan.
Het is een pragmatische keuze en tegelijk een gok. Ford leunt bewust op Chinese kennis om zelf overeind te blijven in een markt waar het naar eigen zeggen niet meer kan winnen op eigen kracht. Volgens Farley kan Ford nog wel meedoen, maar heeft het bedrijf daar tijd voor nodig. Tijd die de Chinese merken niet gaan geven.
Die afhankelijkheid speelt niet alleen in Europa. In Michigan produceert Ford onder licentie LFP-accu's van CATL. Samen met de Chinese accugigant maakt Ford daar accupakketten tegen lagere kosten dan wanneer het bedrijf alles zelf zou doen. Financieel slim, politiek een mijnenveld.
Washington ruikt de Chinese connectie
Want de Amerikaanse overheid is niet gecharmeerd. In september 2026 bekritiseerde ze Ford openlijk om de samenwerking met en afhankelijkheid van China. Minister van Transport Sean Duffy stuurde een brief waarin hij zorgen uitte over Fords strategie en de leuning op Chinese technologie en bedrijven. Vragen over betrouwbaarheid, vragen over veiligheidsrisico's rond de CATL-samenwerking.
Daar zit de wrange grap. Farley pleit voor een terughoudende Amerikaanse benadering van Chinese merken, terwijl zijn eigen bedrijf accu's bouwt met de grootste Chinese accufabrikant ter wereld. Hij wil de deur dichthouden voor de concurrent en tegelijk zelf gebruikmaken van diens techniek. Dat verkoop je alleen als je een heel goed verhaal hebt.
Dat verhaal luidt: samenwerking en concurrentie kunnen naast elkaar bestaan. Ford wil rechtstreeks strijden met Chinese fabrikanten, maar wel met hun bouwstenen in de hand. Of Washington dat pikt, is een andere vraag. De VS heffen momenteel invoertarieven van meer dan 100 procent op Chinese elektrische auto's, dus de politieke temperatuur is hoog.
Trump zet de deur op een kier
En dan is er Donald Trump. Die zei dat hij Chinese autofabrikanten in de VS accepteert, mits ze er auto's bouwen en Amerikaanse werknemers aannemen. Markttoegang in ruil voor banen en lokale productie. Dat botst frontaal met Farley's oproep tot voorzichtigheid, en het maakt Fords positie er niet eenvoudiger op.
De cijfers verklaren de zenuwen. Volgens GlobalData vergrootten de Chinese merken hun wereldwijde marktaandeel tussen 2020 en 2025 met bijna 70 procent. Dat is geen langzame opmars, dat is een stormloop. Europa is daarvan het duidelijkste slachtoffer, met die 12 procent als bewijs.
Ford kiest dus voor de enige route die nog logisch lijkt. Meebouwen met de winnaar in Europa, de poort bewaken in Amerika, en hopen dat Washington het onderscheid begrijpt. Het is eerlijk, het is riskant, en het is vooral een teken hoe ver de machtsverhoudingen zijn gekanteld. De vraag is niet meer of China wint. De vraag is wie er slim genoeg meelift.